Privacy Policy

WELKOMBROCHURE blz 3    <<   >>

 

Kies doelbewust uw basisduiven

Het heeft weinig zin zich duiven aan te schaffen bij iemand, die in een categorie speelt, waar U niet meteen interesse voor hebt. Dit vergt een woordje uitleg. In de duivenliefhebberij spreekt men van 'vitesse', dit zijn de snelheidsvluchten tot zo'n 250 km (de Engelsen spreken ook van sprint), de halve-fond van 250 km tot 500 km, de fond boven de 500 km. Dan is er nog de zware fond, waarmee vluchten bedoeld worden waarbij 'overnachting' te pas komt omdat de duiven niet op de dag van de lossing hun hok kunnen bereiken.

Wil U 'vitesse' spelen dan wendt U zich best tot een liefhebber die zijn streng trekt in die categorie. Bijna alle gerenommeerde kampioenen hebben hun vak geleerd door aanvankelijk vitesse en halve-fond te spelen.

Voelt U zich echter aangetrokken door prestaties op verre afstanden, dan richt U zich best tot een kampioen die in deze categorie uitblinkt. Het hoeft geen monumentale naam te zijn. Wel iemand die degelijk presteert.

En nog een tip. U hoeft ook geen hoge prijs te betalen voor jongen uit de kwekers. Neem bijvoorbeeld laatjes (augustus/september) van de jaarlingen. Daar zitten vaak aangename verrassingen onder, die door de kampioen niet eens gekend zijn. Later kunt U zich ook eieren aanschaffen van uitstekende vliegers in het naseizoen. De eieren die gelegd worden na het grootbrengen van de late jongen gaan vaak voor een prikje van de hand ! De erfelijke kwaliteiten van deze zogenaamde 'bamissen' zijn evenwaardig aan deze van zomerjongen. U moet ze alleen geduldig laten uitgroeien en voor het kweekhok reserveren. Het is niet voor niks dat een groot Frans kampioen op zijn duivenhokken de woorden 'Villa Petience' had aangebracht. Baseer U bij het uitkiezen van uw leverancier op resultaten. Niet op het 'keuren' in de hand. Hou de theorieën over vleugel, keel, spieren en ogen voor later....als U er zin in hebt.

De kweek: het fundament van de duivensport

Vele liefhebbers beleven enorm veel pret aan het kweken van mooie, gezonde jongen. Ze zijn niet alleen gelukkige mensen maar hebben het ook bij het rechte eind. Want de kweek is het fundament van de duivensport.

Als de duiven zo'n 8 dagen gekoppeld zijn, begint de leg van de eerste eieren. In een gezonde populatie verloopt de eierleg zeer vlot. Zeventien dagen na het tweede ei breken de jongen door de schalen en beginnen de ouders met de zogenaamde papvoeding. Een merkwaardig en uniek verschijnsel in de natuur is dat zowel duiver als duivin papvorming hebben, die onder invloed van het hormoon prolactine ontstaat.

Na enkele dagen wordt geleidelijk overgeschakeld van papvoeding op graanvoeding. Dit verschilt aanzienlijk van koppel tot koppel. Rond deze periode (gesitueerd tussen de vijfde en de achtste dag) kunnen er problemen ontstaan. Waarschijnlijk omdat de papvoeding geen koolhydraten, wel vet (ca. 8%) en proteïnen (ca. 14%) bevat en de graanmengeling precies zeer rijk is aan koolhydraten (suikers). Deze moeilijkheden worden door sommige kampioenen ondervangen door het bijvoederen van kleine hoeveelheden vet- en proteïnerijke elementen zoals harde, belegen kaas, die in kleine dobbelsteentjes worden gesneden. Opgepast: de duiven moeten dit vooraf hebben leren eten. Maar eens ze het kennen zijn ze er verzot op, vooral als ze met kleine jongen liggen.

Tussen de twintigste en vijfentwintigste dag kunnen de jongen dan gespeend worden en in een afzonderlijk hok worden ondergebracht. Van de kwaliteit van de gespeende jongen hangt de toekomst van uw hok af. Als U uw gespeende jongen, die graag samendrummen, 'proper' wil houden, maak dan een groot kader met geplastificeerde volièredraad. Ze kunnen daar dan op liggen en de mestbolletjes vallen door de mazen. Leg dit kader in een hoek op een tochtvrije plaats.

Duivenziekten: geen onoverkomelijk probleem

Zo'n dertig jaar geleden vormden duivenziekten nog een nachtmerrie voor vele liefhebbers. Sommigen kregen door een aanval van 'het geel' gedurende het kweekseizoen haast geen jong groot.

Thans bestaan er zeer efficiënte geneesmiddelen en vaccins. U hoeft zich geen grote zorgen meer te maken.

Tegen het zogenaamde 'geel' dat veroorzaakt wordt door een protozo (trichomonas gallinae) bestaan er een ganse reeks afdoende en veilige medicamenten, die echter grotendeels tot de groep van de nitro-imidazolen behoren.

Ook bestaan er moderne preparaten tegen andere parasitaire ziekten zoals coccidiose en worminfecties.

De dierenarts bestrijdt bacteriële infecties met moderne antibiotica. En tegen virusziekten bestaan er vaccins. O.a. tegen de pokkendifterie en de paramyxovirose ( een variant van de pseudovogelpest). Die werken preventief en verhinderen de uitbraak van ziekten.

Wanneer u dit leest, krijgt u misschien de indruk dat u een expert moet zijn in duivenziekten om te slagen in de duivensport. Niets is minder waar. Vele kampioenen zijn eenvoudige mensen, die van diergeneeskunde geen kaas gegeten hebben maar niet zullen aarzelen een dierenarts te raadplegen als ze vrezen in de problemen te komen.

Alle kampioenen hebben wel één eigenschap gemeen: een zeer scherpe observatie. Ze merken onmiddellijk als er iets schort. Het is belangrijk dat een beginneling zich deze eigenschap vlug aankweekt door vaak de duiven op het hok rustig te observeren.

Vooraleer deze summiere beschouwingen over duivenziekten af te sluiten, moeten wij toch de aandacht vestigen op het feit dat het gebruik van geneesmiddelen tot een strikt minimum moet beperkt blijven. Van meer af aan moet men zich een duivenstam opbouwen die een eigen natuurlijke, erfelijke weerstand bezit en niet om de haverklap moet geholpen worden met allerlei middeltjes uit de apotheekkast. Van nature gezonde duiven in een comfortabel hok, waarvan de droogte - vooral van de vloer - de cyclus van parasitaire en andere ziekten onderbreekt, zullen u weinig problemen geven.

Het is van primordiaal belang dat u met een kerngezonde duivenstam start. Schaft u dus geen duiven aan bij mensen die voortduren aan hun duiven zitten te knoeien.

Submit to FacebookSubmit to Google PlusSubmit to Twitter